Cyanotype ontstaat met licht. Papier wordt lichtgevoelig gemaakt met ijzerzouten, in het donker gedroogd en vervolgens belicht met planten, veren of andere vormen op het oppervlak. Na het uitwassen verschijnt het karakteristieke Pruisisch blauw.

Cyanotype maken: hoe werkt het?

Cyanotype is een fotografisch drukproces waarbij UV-licht een chemische reactie veroorzaakt. Papier of een andere geschikte ondergrond wordt lichtgevoelig gemaakt met ijzerzouten. Tijdens de belichting reageren de delen die UV-licht ontvangen. Na het uitwassen ontstaat daar het karakteristieke Pruisisch blauw.

Wanneer planten, veren of andere voorwerpen rechtstreeks op het behandelde papier worden gelegd, houden ze het UV-licht geheel of gedeeltelijk tegen. Zo ontstaat een fotogram: een afbeelding zonder camera, rechtstreeks gevormd door licht en contact met het materiaal.

Het principe is eenvoudig. Een goede cyanotype maken is dat minder. Papier, coating, vocht, contact, UV-sterkte, belichting en uitwassen hebben allemaal invloed op het uiteindelijke beeld.

1. De lichtgevoelige oplossing maken

De klassieke cyanotype gebruikt twee afzonderlijke oplossingen: één met ferriammoniumcitraat en één met kaliumferricyanide. Deze worden afzonderlijk bewaard en pas voor gebruik samengevoegd.

Na het mengen is de oplossing lichtgevoelig. Het werken gebeurt daarom buiten direct zonlicht en ander sterk UV-licht. Gedempt kunstlicht is geschikt om papier te coaten en composities voor te bereiden.

Cyanotype is een ijzerproces. Onder invloed van UV-licht worden ijzer(III)-ionen in het ferriammoniumcitraat gereduceerd tot ijzer(II). Die reageren vervolgens met ferricyanide. Na het uitwassen en oxideren blijft het diepblauwe ijzerpigment achter dat bekendstaat als Pruisisch blauw.

De blauwe kleur is dus geen verf die vooraf op het papier wordt aangebracht. De kleur ontstaat door de chemische reactie tijdens en na de belichting.

2. Papier coaten

De gemengde oplossing wordt in een dunne laag op het papier aangebracht, bijvoorbeeld met een zachte kwast of coating rod. Gereedschappen die met de oplossing in contact komen worden bij voorkeur niet van reactief metaal gemaakt.

Een coating kan heel gelijkmatig worden aangebracht, maar zichtbare kwaststreken en onregelmatige randen kunnen ook bewust onderdeel van het beeld blijven. Bij een cyanotype hoeft het behandelde vlak niet noodzakelijk tot aan de rand van het papier te lopen.

Het papier zelf maakt veel verschil. Stevig aquarel- of katoenpapier wordt vaak gebruikt omdat het de natte coating en het latere, langdurige uitwassen goed moet kunnen verdragen. Papier verschilt daarnaast in vezels, oppervlak, verlijming, absorptievermogen en pH.

Een sterk alkalische omgeving is ongunstig voor Pruisisch blauw. Ook buffers in papier kunnen daarom invloed hebben op cyanotype. Het ene mooie aquarelpapier is niet automatisch even geschikt als het andere.

Bij NOOR wordt onder meer gewerkt met handgemaakt katoenpapier. De vezels, structuur en onregelmatige randen van het papier blijven daarbij zichtbaar in het uiteindelijke werk.

3. Het gecoate papier lichtdicht drogen

Na het coaten moet het papier volledig drogen zonder aan UV-licht te worden blootgesteld. Daglicht bevat al voldoende UV om de reactie te laten beginnen.

Het papier wordt daarom in gedempt kunstlicht verwerkt en vervolgens lichtdicht gedroogd. Een droge coating geeft bovendien een beter controleerbaar uitgangspunt voor de belichting dan papier dat nog vochtig is.

Ook eenmaal gedroogd gecoat papier moet tegen licht worden beschermd totdat het daadwerkelijk wordt gebruikt.

Op dit moment is er nog geen blauw beeld. De coating is doorgaans geelgroen tot groenachtig. Het kenmerkende blauw ontstaat pas tijdens het verdere proces.

4. Een compositie maken

Op het droge, lichtgevoelige papier wordt de compositie gelegd.

Bij botanische cyanotype kunnen bijvoorbeeld bladeren, bloemen, grassen, stengels en zaaddozen worden gebruikt. Het materiaal hoeft niet volledig ondoorzichtig te zijn.

Een dicht blad kan vrijwel al het UV-licht blokkeren en daardoor een heel lichte vorm achterlaten. Dunne bloemblaadjes of doorschijnende bladeren laten gedeeltelijk licht door. Daardoor kunnen nerven, verschillen in dikte en andere details zichtbaar worden.

Ook de afstand tot het papier speelt een rol. Een plant die strak tegen het papier ligt, kan een scherpe contour geven. Zit er ruimte tussen plant en papier, dan kan UV-licht langs de randen komen en ontstaat een zachter of waziger beeld.

Daarom kan de compositie tussen een transparante plaat, bijvoorbeeld glas, en een stevige ondergrond worden geklemd. Niet omdat cyanotype glas nodig heeft, maar om het materiaal zo vlak mogelijk tegen het papier te houden.

Wind en cyanotype zijn om vrij voor de hand liggende redenen geen bijzonder gelukkig huwelijk.

5. Belichten met UV-licht

De compositie wordt vervolgens blootgesteld aan UV-licht. Dat kan onder een gecontroleerde UV-lichtbron, maar ook buiten in zonlicht.

Bij zonlicht bestaat geen universele belichtingstijd. De hoeveelheid UV verandert met het seizoen, tijdstip, bewolking en de UV-index. Ook papier, coating, de transparantie van het gebruikte materiaal en het gewenste contrast spelen een rol.

Vijf minuten op een heldere zomermiddag is dus niet hetzelfde als vijf minuten op een bewolkte ochtend.

Wie reproduceerbaarder wil werken, kan een teststrip maken. Daarbij wordt een strook gecoat papier tijdens de belichting in stappen steeds verder blootgelegd. Na het uitwassen zijn verschillende belichtingstijden naast elkaar zichtbaar en kan worden bepaald welke tijd onder die omstandigheden het beste resultaat geeft.

Tijdens de belichting verandert ook de kleur van de coating. Die verandering kan aanwijzingen geven, maar is geen perfecte klok. Een teststrip is nauwkeuriger dan blind vertrouwen op een vast aantal minuten.

6. Uitwassen in water

Na de belichting wordt de compositie verwijderd en gaat de afdruk in water.

Tijdens het uitwassen verdwijnen de niet-gereageerde, wateroplosbare ijzerverbindingen uit het papier. Het geelgroene van de oorspronkelijke coating moet uit de lichte delen verdwijnen. Het spoelwater wordt uiteindelijk helder.

Dit is een wezenlijk onderdeel van het proces, niet alleen even afspoelen.

Onvoldoende uitwassen kan ervoor zorgen dat achtergebleven chemische stoffen later verder reageren en de helderheid en houdbaarheid van het beeld beïnvloeden. Dik en sterk absorberend papier kan langer spoelen nodig hebben dan glad, minder absorberend papier.

Tijdens het uitwassen kan het beeld er aanvankelijk veel lichter uitzien dan verwacht. Dat betekent niet automatisch dat de afdruk mislukt is.

7. Oxidatie en Pruisisch blauw

Na het uitwassen reageert de afdruk verder met zuurstof. Het blauw verdiept zich door oxidatie tot het kenmerkende Pruisisch blauw.

Die ontwikkeling gebeurt vanzelf wanneer de natte afdruk aan de lucht wordt blootgesteld. De uiteindelijke kleur hoeft dus niet direct na het spoelen zichtbaar te zijn.

Het oxidatieproces kan worden versneld met sterk verdunde waterstofperoxide. De kleur wordt dan vrijwel onmiddellijk donkerder. Waterstofperoxide is echter niet nodig om uiteindelijk die diepe kleur te krijgen. Het versnelt vooral een proces dat anders vanzelf plaatsvindt.

8. Drogen en vlak maken

Na het uitwassen moet het papier volledig drogen.

Papier neemt tijdens het spoelen veel water op en kan daardoor golven of kromtrekken. Hoe sterk dat gebeurt hangt onder andere af van papiersoort, dikte en vezelrichting.

Na volledige droging kan geschikt papier indien nodig weer worden gevlakt. Pas dan zijn het uiteindelijke contrast en de details van de afdruk goed te beoordelen.

Waarom mislukt een cyanotype soms?

Een cyanotype is gevoelig voor meerdere variabelen. Een tegenvallend resultaat vertelt daardoor vaak iets over het proces.

Een erg bleke afdruk kan het gevolg zijn van te weinig belichting, een zwakke of onregelmatige coating of omstandigheden waarin de chemie niet optimaal heeft gewerkt.

Een afdruk die grotendeels donkerblauw wordt kan te lang zijn belicht. Wanneer ook delen die eigenlijk licht moesten blijven blauw worden, kan daarnaast licht onder of langs de gebruikte objecten zijn gekomen.

Wazige contouren ontstaan vaak doordat een plant of ander object niet vlak tegen het papier lag. Hoe groter de afstand, hoe gemakkelijker UV-licht langs de rand kan komen.

Vlekken of strepen kunnen ontstaan door ongelijkmatig coaten, vervuiling, druppels, vocht of contact met materialen die de chemie beïnvloeden. Soms zijn zulke sporen ongewenst. Soms worden ze juist onderdeel van het beeld.

Geelgroene resten in lichte delen wijzen erop dat de afdruk nog niet voldoende is uitgespoeld.

Een cyanotype wordt daarom niet alleen bepaald door de compositie. De techniek laat ook zien hoe papier, chemie, water en licht zich tijdens het maken tot elkaar hebben verhouden.

Hoe lang blijft een cyanotype goed?

Goed gemaakte en goed uitgespoelde cyanotypes kunnen zeer lang behouden blijven. Toch heeft Pruisisch blauw een paar eigenschappen om rekening mee te houden.

Langdurige blootstelling aan fel licht kan een cyanotype laten verbleken. Opvallend is dat een verbleekte cyanotype in sommige gevallen in het donker weer gedeeltelijk kan herstellen.

Een sterk alkalische omgeving is schadelijker. Pruisisch blauw is gevoelig voor een hoge pH. Daarom zijn alkalische wasmiddelen en andere basische stoffen geen goede keuze voor het reinigen of bewaren van cyanotypes.

Voor werk op papier zijn een stabiele, droge omgeving en bescherming tegen langdurig direct zonlicht verstandig.

Cyanotype bleken en tonen

Een cyanotype hoeft niet zijn oorspronkelijke Pruisisch blauwe kleur te behouden.

Met een alkalische oplossing kan een bestaande cyanotype gecontroleerd worden gebleekt. Daarbij wordt het blauwe beeld gedeeltelijk of verder afgebroken. Vervolgens kan de afdruk worden getoond met stoffen die tannines bevatten.

Thee is daarvan een bekend voorbeeld, maar verschillende tanninebronnen geven verschillende resultaten. Afhankelijk van papier, oorspronkelijke afdruk, mate van bleken, toner en tijd kunnen blauwgrijze, bruine, zwarte, olijfachtige en andere aardse tinten ontstaan.

Daarmee wordt niet een nieuwe afbeelding over de cyanotype heen gelegd. Het bestaande beeld wordt chemisch veranderd.

Bij NOOR wordt gewerkt met zowel het oorspronkelijke Pruisisch blauw als gebleekte en getoonde afdrukken.

Meer daarover lees je bij Cyanotype bleken en tonen.

Cyanotypes van NOOR

De cyanotypes van NOOR worden met de hand gecoat, samengesteld, belicht, uitgespoeld en gedroogd. Planten, veren en andere natuurlijke vormen worden rechtstreeks gebruikt om het licht tijdens de belichting te sturen.

Papier, plantmateriaal, UV-licht en handwerk zorgen ervoor dat een afdruk niet volledig reproduceerbaar is. Zelfs dezelfde plant kan bij een volgende belichting een ander beeld geven.

In de cyanotypecollectie van NOOR vind je de werken die met dit proces zijn gemaakt.